Een familie in de oorlog
Pflugdorf bij Landsberg am Lech
4 soldaten · 53 brieven · 5 gedeelde personen · Pflugdorf bei Landsberg am Lech
Pflugdorf bij Landsberg am Lech, 1941–1945
---
Pflugdorf is een klein dorp in Opper-Beieren, bij Landsberg am Lech. Het ligt tussen akkers, met een kerk die aan Sint-Laurentius is gewijd. Daar woonde de familie Dodell. In de brieven staat de naam ook als Dodell, en in één geval als Dodell. Uit de brieven komt een familie van het platteland naar voren. Anton Dodell senior was smidsmeester. In huis leefde ook grootmoeder Anna, en de brieven gaan steeds weer over het vee, het zaaien, het dorsen en of het fruit al rijp is.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vertrok de ene na de andere man uit dit huis, of uit deze familiekring, naar het leger. Van vier van hen is veldpost bewaard gebleven:
Alle vier dienden in dezelfde oorlog. Hun brieven lopen deels gelijk op en verwijzen soms naar elkaar. Xaver schrijft dat hij "aan Otto ook al geschreven" heeft. Otto vraagt thuis naar nieuws over Xaver. Sepp vraagt: "Waar is Otto?" Wie precies wiens broer, zoon of neef was, is nog niet helemaal duidelijk. Daarover meer aan het slot. Samen vertellen de brieven wel hoe één familie de oorlog meemaakte: via pakjes, vleesbonnen, verlofaanvragen en de vaste zin "ik ben gezond, wat ik ook van jullie hoop".
---
De oudste bewaarde brief is van mei 1941. Anton Dodell schrijft dan vanuit Augsburg aan "mijn lieven" thuis. Hij is gelegerd bij een 1e compagnie. Het bataljon is niet goed leesbaar: mogelijk een Ersatz- of een Landesschützen-bataljon. Het onderkomen is vermoedelijk een school die als kazerne dient.
Het is een kort, geruststellend briefje. Het Sütterlin-handschrift is sterk verbleekt, zodat grote delen onleesbaar zijn. Wel is te lezen dat hij gezond is en dat de dienst "niet meer zo streng" is. Op bezoek komen lukt niet, want de treinen rijden slecht. Hij hoopt met Pinksteren verlof te krijgen. Het kazerne-eten valt tegen en hij vraagt of thuis iemand koek wil bakken. Hij noemt ook problemen met zijn vingers en vraagt naar het vee. Hij is opgelucht dat Josef nog niet hoeft op te komen.
Die laatste opmerking maakt nieuwsgierig. Tweeënhalf jaar later wordt een Joseph ("Sepp") Dodell uit Pflugdorf alsnog opgeroepen, en hij noemt zichzelf dan een oude rekruut. Of dit dezelfde Josef is, en of Anton en hij broers waren, staat nergens met zoveel woorden. Het is wel een voor de hand liggende gedachte.
---
Op 16 april 1942 schrijft de achttienjarige Xaver Dodell zijn eerste kaartje aan zijn vader, smidsmeester Anton Dodell. Hij heeft net de Reichsarbeitsdienst achter de rug. De dag ervoor is hij aangekomen in Lenggries, in de Beierse bergen, bij de 3e compagnie van Infanterie-Ersatz-Bataillon 217. Hij noemt het "eine sehr schöne Gegend": een heel mooie streek. Hij slaapt op één kamer met twee kameraden die hij nog van de Arbeitsdienst kent.
In mei stuurt hij twee kaarten kort na elkaar. Op 13 mei krijgt grootmoeder Anna een Moederdag-kaart met klaprozen en korenbloemen. Hij wenst haar gezondheid en een lang leven en ondertekent met "Dein Enkel Xaver". Een week later krijgt de familie een fotokaart met bloeiende kersentakken en alleen een groet. Het zijn de laatste berichten van dicht bij huis.
Op 26 juli 1942 schrijft Xaver zijn eerste brief uit Rusland. Waar precies hij is, zegt hij niet. Hij krijgt verdere opleiding en het soldatenleven bevalt hem "tot nu toe goed". De streek vindt hij bepaald niet mooi: oude hutten, akkers die niemand bewerkt, slechte wegen. Hij vraagt om een tandenborsteltje (Zahnbürsterl, een Beiers woord), een scheerkwast en zeep.
Op 8 augustus is het er "erg heet", ligt de eenheid nog op dezelfde plek en wordt het koren gemaaid. In oktober schrijft hij alleen dat alles bij het oude is. Zijn veldpostnummer verandert in deze maanden een paar keer. In het najaar is het 25898 D.
In dezelfde winter begint de reeks brieven van Otto Dodell. Op 8 december 1942 zit hij in een transport dat door Hongarije rijdt, waar het volgens hem "een mooi, warm leven" is. Met Kerstmis is hij in Bad Reichenhall. Hij stuurt zijn moeder 20 mark, koopt voor zichzelf skischoenen van 30 mark en belooft volgende maand 50 mark voor de spaarkas te sturen. Samen met wat thuis al bewaard ligt, zou ze dan 100 mark hebben. Hij groet oom en tante.
Op 13 december stuurt Xaver geld naar huis, "zodat jullie weer iets kunnen kopen". Het gaat om 15 of 18 mark, want de lezingen verschillen. Hij stuurt ook bonnen terug die gebruikt zijn maar nog te gebruiken zijn, en hij bedankt voor het kerstpakket. In dezelfde brief staat dat hij "aan Otto ook al geschreven" heeft. Dat is het eerste draadje tussen de twee reeksen brieven.
Een week later, op 21 december, komt de kerstbrief. De pakjes zijn al op. Hij ligt in een lazaret en is "een beetje ziek", maar het gaat alweer beter. Wat hij had, schrijft hij niet.
---
Begin 1943 is Xaver terug in Duitsland, in het Reserve-Lazarett Zweibrücken in de Pfalz, ver van het front. Op 6 februari klaagt hij dat hij al zeven weken geen post van thuis heeft gehad. Hij vraagt om vleesbonnen en iets te eten, "want in het hospitaal heb je altijd wel wat extra's nodig". Hij groet vader, moeder en Toni. Op 17 februari schrijft hij hoopvol dat hij binnenkort naar huis komt.
Hij blijft langer dan hij dacht. Met Pasen 1943 ligt hij er nog. Inmiddels werkt hij al ruim drie weken in de kleermakerij van het lazaret, "waar het altijd vrolijk aan toe gaat". De rest vindt hij saai. In dezelfde brief staat nieuws uit de eigen omgeving: een zekere Xaver Fenneberg (onzeker gelezen) zou vermist zijn, en een bekende hielp bij het opruimen in het gebombardeerde München. Op 13 mei 1943 stuurt hij zijn grootmoeder weer een Moederdag-kaart, opnieuw als "Dein Enkel Xaver".
Otto zit in diezelfde maanden in een opleiding. In januari 1943 volgt hij elke dag lesuren. Die zouden volgens hem "een of twee jaar" duren. Op zondag wordt hij beëdigd. In zijn brieven regelt hij bezoek van thuis tot in detail. Hij beschrijft zijn moeder de looproute van het Westbahnhof langs de Westendhalle naar de kazerne, vraagt haar kledinghangers mee te nemen en vraagt of vader en ene Walter Schotthammer ook komen. Een brief van 4 maart draagt een poststempel uit Augsburg. Daarin vraagt hij om volle melk, een fles "Erstbezin" en groene zalf.
In mei is hij in Neuburg an der Donau. Hij heeft 50 mark gekregen voor de tandarts en schrijft dat hij over drie à vier weken "ontslagen" wordt. Zijn moeder moet zijn burgerpak wassen en strijken. Op 2 mei 1943 schrijven Xaver en Otto elk los van elkaar naar huis. Allebei bedanken ze voor een pakje en allebei zijn ze doodmoe, Otto na een inspectie en een parademars.
Het burgerpak had Otto kennelijk niet nodig. In juni en augustus 1943 schrijft hij uit Garmisch-Partenkirchen, bij de bergartillerie (Gebirgs-Artillerie-(Ersatz-)Regiment 79). In juli schrijft hij uit Hannover dat het eten "heel goed" is en dat de eenheid op 7 of 8 augustus naar Frankrijk vertrekt. Eind augustus is hij op een nieuwe standplaats met zware dienst: "er bloeden al veel vingers in de stube, een heel wild leven". Hij vraagt of thuis al gedorst is en of zijn broers en zussen gezond zijn.
Eind juli 1943 zit Xaver 26 uur in de trein, van Augsburg naar Breslau en deels tweede klas. Hij komt aan in een klein garnizoensstadje in Silezië, "niet zo mooi als de naam doet vermoeden". Hij vergelijkt het met Landsberg. Hij is ingedeeld bij een Genesungskompanie, een compagnie voor soldaten die herstellen.
Eind augustus is hij Gefreiter geworden en zit hij in de infanteriekazerne van Tarnowitz in Opper-Silezië, bij Grenadier-Ersatz-Bataillon 164. Thuis hoeft even niets te sturen, schrijft hij, want hij gaat mee met een Begleitkommando, een escortedienst.
Op 9 september 1943 schrijft hij uit Glogau. Het escortecommando heeft hem tot in Litouwen gebracht. Nu logeert hij een paar dagen bij een kameraad die hij "al van vroeger" kent. Hij vraagt om een pakje, "vooral sigaretten". Hij wil weten of het fruit thuis al rijp is en of de familie weer Saaturlaub voor hem wil aanvragen, verlof om te helpen bij het zaaien. En hij vraagt wat men thuis zegt over "de wapenstilstand van Italië". Die was de dag ervoor, op 8 september 1943, bekendgemaakt.
Dit is de laatste brief van Xaver die we hebben.
Otto schrijft in september 1943 aan zijn vroegere Meister, een ambachtsman in Hofgeismar bij Kassel. Ze zijn "heel ver weg", aan een grens. De ene lezing zegt de Oekraïense grens, een andere de Italiaanse. Hij vindt het "om gek van te worden", dat je niet weet waar je bent.
Op 16 oktober 1943 vraagt Otto zijn moeder om nieuws over Xaver. Hij klaagt dat hij weinig van thuis hoort en dat een pakket 10 à 11 mark kost.
Het antwoord op die vraag kennen we nu wel. Volgens het oorlogsmonument bij de kerk van Pflugdorf is Gefreiter Xaver Dodell, geboren op 29 augustus 1923 in Pflugdorf, op 25 november 1943 gesneuveld bij Pakari in Rusland. Hij werd twintig jaar. Hoe hij van Tarnowitz en Glogau weer aan het front kwam, staat in geen enkele bewaarde brief. Zijn stoffelijk overschot is vermoedelijk als onbekende soldaat overgebracht naar de verzamelbegraafplaats in Kiev. Dat "vermoedelijk" staat ook zo op het monument.
---
Een maand na Xavers dood viert Joseph "Sepp" Dodell Kerstmis als pas opgeroepen rekruut in de kazerne van Landshut. Hij zit bij de 1e compagnie van het Ersatz- und Ausbildungs-Bataillon 7. Ze hebben een klein kerstfeest met twee liter bier. Hij slaapt met zestien man op één kamer, en er zijn ook Oost-Pruisen bij. De opleiding duurt twaalf weken, en "daar moet je veel leren als je zo oud bent". Er zijn "veel van zulke oude mensen". Sepp was dus geen jongen meer, maar zijn leeftijd staat nergens.
Hij vraagt om iets warms, iets van vilt, om eten en rookwaar. Hij vraagt de familie iets voor hem te regelen bij de burgemeester (naam onzeker, misschien "Altmüller"). En hij vraagt: "Hebben de twee broers ook alweer geschreven?"
Wie die twee broers waren, weten we niet zeker. Het is voorstelbaar dat de familie op die kerstdag nog niet wist dat een van de jonge mannen al een maand dood was. Omdat de familieverbanden onzeker zijn, blijft dat een vraag en geen vaststelling.
Otto schrijft rond de jaarwisseling twee korte briefjes, op 30 december en op nieuwjaarsdag 1944. Hij is verkouden en verlangt naar een weerzien. Eind januari is hij overgeplaatst naar Bad Reichenhall, dat hij "heel mooi" vindt.
In februari 1944 schrijft Sepp opnieuw uit Landshut. Er ligt nog veel sneeuw. Hij bedankt voor een pakket, vraagt om regelmatig sigaretten en groet Toni. Dan volgt de korte vraag: "Waar is Otto?"
Otto zit op dat moment in Italië. Op 3 februari schrijft hij dat zijn eenheid al drie dagen in een kazerne wacht op verder vervoer. Hij slaapt 's nachts in zijn jas. Hij vraagt naar Maria en Berta thuis en of vader bij moeder is of weer in München. Op 5 februari ligt hij op de ziekenboeg en reist die dag verder. Het eten is karig, maar de verzorging is goed. Er is nog geen veldpostnummer, zodat de post zeker tien dagen vertraging kan hebben. Hij schrijft dat hij hoopt dat de oorlog ooit ten einde komt. Een eerdere brief sloot hij af met: "Schrijf mij een brief, jouw brieven zijn mij een troost."
---
Begin april 1944 is Sepp na een treinreis van 18 à 19 uur aangekomen in Deutsch Brod, het tegenwoordige Havlíčkův Brod in het Protectoraat Bohemen en Moravië. Volgens hem is dat zo'n 1200 km van huis. Pasen moet hij er doorbrengen, in een omgeving die "helemaal Tsjechisch" is. Een liter bier kost een mark. Hij vraagt om een eetbestek, pantoffels en gebak dat lang goed blijft, en om alles "meteen en met spoed" te sturen, want hij blijft er waarschijnlijk niet lang. Achteraf, schrijft hij, had hij van thuis meer eten moeten meenemen.
Op 23 april is hij Reiter bij de 1e eskadron van het Heimat-Pferde-Lazarett in Ludwigslust (Mecklenburg), een hospitaal voor legerpaarden. Het nummer wordt gelezen als 7 of als 9. De dienst duurt van zeven tot twaalf en van half twee tot half zes, en je krijgt er flinke honger van. De familie heeft hem geschreven dat Fritz Laimgruber is overleden. Hij vraagt of het zaaien al gedaan is en hoe het met moeders hand gaat, en voegt eraan toe dat het wel "steeds hetzelfde" zal zijn. Hij ondertekent met "jullie zoon en broer".
Otto schrijft op 5 april 1944 dat hij in een ruststelling ligt. Het gaat hem goed, afgezien van de kou.
In het najaar ligt Sepp in het lazaret van Wiblingen bij Ulm, in de Schloßkaserne, kamer 43. Het poststempel is van 10 oktober 1944. Waarom hij daar ligt, schrijft hij niet. Hij vraagt om ham, braadworst en briefpapier en wil weten of zijn verzoekschrift al is ingediend. Een kameraad is met verlof gegaan. Dit is de laatste brief van Sepp die we hebben.
---
De laatst gedateerde brief in de verzameling is van 10 maart 1945. Otto schrijft "een paar regels" aan zijn moeder. Hij vraagt naar haar gezondheid, noemt een zondag bij een zus en vraagt of ze hem iets kan sturen, misschien boeken. Hij groet oom en tante en sluit af zoals bijna altijd: tot spoedig weerzien.
Twee maanden later is de oorlog voorbij. Of Otto en Sepp thuiskwamen, vertellen de brieven niet.
---
Hoe hangt de familie precies in elkaar? Dit is de grootste open vraag.
Xavers laatste weken. Tussen 9 september en 25 november 1943 is er geen brief. Hoe hij van de herstelcompagnie en Tarnowitz terugkwam aan het front, bij welke eenheid hij sneuvelde en waar Pakari precies ligt, weten we niet. Dat zijn resten in Kiev liggen, is een vermoeden. Het register van de Volksbund zou hier uitkomst kunnen bieden.
Wat er met Otto en Sepp gebeurde. Van geen van beiden kennen we geboorte- of sterfdatum. Hun brieven houden op in oktober 1944 (Sepp) en maart 1945 (Otto). Of ze de oorlog overleefden, is onbekend.
Onzekerheden in Otto's brieven. De brieven over zijn rang spreken elkaar tegen: Soldat, Gefreiter, Unteroffizier en mogelijk Feldwebel komen door elkaar voor. Een kaart uit Rusland van eind mei 1943 is aan hem toegeschreven, terwijl hij een week eerder nog in Neuburg an der Donau schreef. De afzender van die kaart staat er niet op. Een brief uit augustus 1943 heeft mogelijk een andere afzender. Wat de "ontslag"-brief van mei 1943 precies betekent, is ook niet duidelijk.
Onleesbare passages. Veel brieven zijn met potlood geschreven en verbleekt. Scherpere scans van onder meer Xavers kaart van januari 1943 en die van maart 1943 kunnen nog nieuwe details opleveren.
Sepps brieven zijn nog in bewerking. Met elke brief die erbij komt, kan het verhaal nog veranderen.
Wat vaststaat is dit: in een smidse en op een boerderij in Pflugdorf kwamen jarenlang veldpostbrieven binnen uit Lenggries, Rusland, Zweibrücken, Silezië, Italië en Bohemen. Thuis pakte de familie steeds weer pakjes in, met koek, sigaretten, sokken, vleesbonnen en postzegels. Aan het monument bij de kerk is te zien dat ten minste één van deze soldaten niet is thuisgekomen.
Elke soldaat heeft zijn eigen boek — met zijn brieven, zijn reis op de kaart en de verbanden eromheen. Sla er een open om zijn verhaal te lezen.
De mensen die in de brieven terugkomen. Wie in de post van meerdere soldaten opduikt, is met een gouden rand gemarkeerd — daar raken hun verhalen elkaar.
Collectieve geadresseerde op de adreszijde van Brief-001 (en als adresregel in Brief-002, Brief-010, Brief-012, Brief-020, Brief-023, Brief-024, Brief-025, Brief-030, Brief-031, Brief-034, Brief-035, Brief-037 en Brief-040). Geen individu maar het gezin/de familie van Otto Dodell; krijgt daarom een eigen kaart. De woonplaats Pflugdorf, Kr. Landsberg am Lech is bevestigd door Brief-024 en Brief-025. Adreszijden van Brief-022, Brief-023, Brief-035 en Brief-036 noemen afwijkende plaatsnamen ('Ringsdorf', 'Pfingdorf') — vermoedelijk verlezingen van dezelfde plaats. Tot de familie behoren Otto's moeder, zijn (vermoedelijke) vader Wilhelm, Ursula, het familielid 'Mathä', Maria en Berta, en — volgens de groeten — meerdere broers en zussen, grootouders, oom(s) en tante(s) en een zwager. In Brief-004 en Brief-025 verwijst Otto naar 'de anderen'.
Vader van Xaver, bevestigd via kruisverwijzing tussen de brieven. Staat voluit als 'Familie Anton Dodell, Schmiedmeister' op de adreszijde van Brief-001, Brief-005 en Brief-022. Brief-003 groet 'Vater und Mutter'; Brief-014 groet 'Vater und Mutter und auch Toni'; Brief-018 groet 'vader en moeder'. De familiepost is steeds aan hem/de familie geadresseerd, ook de latere kaarten uit Tarnowitz (Brief-013), de herstelcompagnie (Brief-016/019) en Glogau (Brief-020). Brief-021 (mei 1942) adresseert de grootmoeder Anna als 'vrouw van de smidsmeester' — wat erop wijst dat de smederij een familiebedrijf was; vermoedelijk is Anna Antons moeder en zette Anton het smidsambacht voort.
Haar voornaam is niet bekend. Zij wordt in Brief-003 alleen aangeduid als 'moeder', in de vraag 'hoe gaat het met moeder haar hand?'. Dat Sepp ondertekent met 'jullie zoon en broer' (Brief-003 en Brief-006) bevestigt dat zij tot de geadresseerde familie behoort. Omdat Sepp naar 'de twee broers' vraagt, is zij vermoedelijk ook hun moeder.
In Brief-017 (13 december 1942, oostfront) meldt Xaver: 'Aan Otto heb ik ook al geschreven.' Otto is dus iemand met wie Xaver correspondeert en die ook bij de familie bekend is. In Brief-018 (6 april 1943) reageert Xaver op familienieuws: 'Zoals jullie schrijven was ook O[?tto] in München bij de opruimingswerkzaamheden' — de naam is daar onzeker gelezen (ook als 'Otl'). Als die lezing klopt, was Otto in het voorjaar van 1943 in of bij München en betrokken bij puinruimwerk. Wie Otto precies is, blijft open: mogelijk een familielid, dorpsgenoot of kameraad. De brieven geven geen achternaam.
In één lezing van Brief-002 (Landshut, 20 februari 1944) staat 'Stuur me dus toch elke 8 dagen van [?vader] of misschien ook wat sigaretten'. De lezing '?vader' is onzeker omdat de brief sterk vervaagd is; in de tweede lezing van dezelfde brief ontbreekt het woord. In de kerstbrief van 1943 (Brief-004/-005) en in de brieven van april 1944 (Brief-003, Brief-006) wordt geen vader genoemd.
Afzender van vrijwel alle brieven in de verzameling, geschreven als 'Otto Dödell', 'Otto Dodell' resp. 'Otto Dödll' (umlaut- en spellingvarianten van dezelfde naam). De reis is goed te volgen: dec. 1942 onderweg door Hongarije (Brief-025), kerst 1942 in Bad Reichenhall (Brief-026), begin 1943 in opleiding met dagelijkse lesuren en beëdiging (Brief-030/032), maart 1943 met Feldpost 07193 en poststempel Augsburg (Brief-024), mei 1943 in Neuburg an der Donau (Brief-034) en aan het oostfront in Rusland (Brief-035), juni–aug. 1943 bij Gebirgs-Artillerie(-Ersatz)-Regiment 79 in Garmisch-Partenkirchen en Hannover (Brief-037/038/039/040) met aangekondigd vertrek naar Frankrijk op 7/8 aug., sep. 1943 ver in het oosten resp. bij de Italiaanse grens (Brief-005/013), jan. 1944 overgeplaatst naar Bad Reichenhall (Brief-031) en feb. 1944 in kazernes in Italië (Brief-021). Brief-002 en Brief-023 (beide 5 feb. 1944) zijn bijna woordelijk gelijk — dezelfde brief, twee lezingen ('rayon' vs. 'Revier'); ook Brief-010 (5 apr. 1944) herhaalt hele zinnen daaruit. Brief-006 en Brief-017 (10 mrt. 1945) zijn de laatst gedateerde brieven. Brief-005 (11 sep. 1943) is gericht aan zijn 'Meister' in Hofgeismar.
Schrijver van alle brieven in deze verzameling. Tekent steevast als 'Euer Xaver'; op de Moederdag-kaarten aan zijn grootmoeder Anna als 'Dein Enkel Xaver'. Komt begin 1942 van de Reichsarbeitsdienst, krijgt opleiding in Lenggries (waar hij in mei 1942 ook de Moederdag-kaart Brief-021 aan zijn grootmoeder Anna verstuurt, en een week later — 20 mei 1942 — de bloemen-/kersenbloesemkaart Brief-022 aan de familie, ondertekend 'Jullie zoon Xaver'), gaat in de zomer van 1942 naar het oostfront (Brief-001 op 26 juli en Brief-023 op 8 augustus 1942), raakt eind 1942 ziek (lazaret, Brief-002) en herstelt vanaf feb. 1943 in het Reserve-Lazarett te Zweibrücken, waar hij met Pasen 1943 nog ligt en al ruim drie weken in de kleermakerij meewerkt. In juli 1943 reist hij na circa 26 uur trein (via Augsburg naar Breslau, deels 2e klas) naar een nieuw garnizoensstadje bij Breslau en wordt ingedeeld bij een Genesungskompanie. In augustus 1943 is hij — inmiddels Gefreiter — geplaatst bij Grenadier-Ersatz-Bataillon 164 in de kazerne te Tarnowitz, waar hij meedoet aan een 'Begleitkommando'. In september 1943 is dat escortecommando hem tot in Litouwen gevoerd; daarna logeert hij in Glogau bij een oude kameraad. In december 1942 (Brief-017) stuurde hij vanaf het oostfront geld naar huis (15 of 18 mark; de lezingen verschillen), gaf gebruikte maar nog bruikbare Zulassungsmarken terug en meldde dat hij 'aan Otto ook al geschreven' had; in dezelfde brief bedankt hij ook voor een pakket 'van Hartl' [onzeker gelezen].
De schrijfwijze wisselt tussen 'Dödell' en 'Dodell', en de voornaam tussen 'Joseph' en 'Josef'. Het gaat steeds om dezelfde persoon. De woonplaats Pflugdorf bij Landsberg a. Lech is bevestigd door de enveloppen van Brief-003, -004, -005 en -006. De vroegst bewaarde brieven (Brief-004 en -005, twee lezingen van dezelfde kerstbrief van 25 december 1943) laten hem zien als pas opgeroepen Rekrut bij de 1e compagnie van het Ersatz- und Ausbildungs-Bataillon 7 in Landshut, waar hij een opleiding van 12 weken volgde. De brief uit Landshut van 20 februari 1944 (Brief-002) valt vermoedelijk nog binnen die opleidingsperiode. Op 5 april 1944 (Brief-006) meldde hij dat hij na een reis van 18 à 19 uur in Deutsch Brod (Havlíčkův Brod) in het Protectoraat was aangekomen. Volgens hem lag dat zo'n 1200 km van huis, en hij moest er Pasen doorbrengen. De dienststempel op die envelop noemt een Ersatz- und Ausbildungs-Abteilung [?7]. Hij verwachtte daar niet lang te blijven. Op 23 april 1944 (Brief-003) was hij Reiter (rijder) bij het Heimat-Pferde-Lazarett 7 in Ludwigslust. Op de achterzijde van de envelop van Brief-006 staat als afzenderadres 'Heimat-Pferde-Lazarett 9, Ludwigslust'. Het verschil tussen 7 en 9 is waarschijnlijk een lees- of schrijfvariant. Dat het Ludwigslust-adres op de Deutsch-Brod-envelop staat, suggereert dat het later is bijgeschreven of dat de overplaatsing al vaststond, maar dat is niet zeker. De lezing 'Onderofficier' op Brief-001 is onzeker omdat de adreszijde deels onleesbaar is. Van Brief-001 bestaan twee lezingen: één gedateerd 8.[?].44 en één 9-9-1944, beide vanuit Wiblingen, Schloßkaserne kamer 43, met poststempel Ulm (Donau) 10.10.1944. Zijn opmerking dat je veel moet leren 'als je zo oud bent' en dat er 'veel van zulke oude mensen' waren, wijst erop dat hij niet meer jong was toen hij werd opgeroepen. Zijn precieze leeftijd staat nergens. Hij had minstens twee broers ('de twee broers') en ondertekende in april 1944 twee keer als 'jullie zoon en broer'. Dat hij bij een paardenhospitaal diende en naar het zaaien vroeg, past bij een boerenachtergrond, maar een beroep staat nergens expliciet.
Collectieve aanduiding waarmee Xaver zijn grootouders in Pflugdorf groet: Brief-001 ('grüßt Euch alle Großeltern'), Brief-010 ('Schöne Grüße an die Großeltern'), Brief-023 ('Groeten aan de grootouders'), Brief-016 en Brief-019 ('in het bijzonder de grootouders') en Brief-020 ('vooral de grootouders'). Geen persoonskaart van één individu, maar het paar Anna Dodell en de niet bij naam genoemde grootvader — vandaar een eigen kaart naast hun individuele profielen.
Geadresseerde van het merendeel van Otto's brieven, telkens aangesproken als 'Lieve Moeder' / 'Liebe Mutter'. De adreszijden van Brief-003 en Brief-004 richten zich aan 'Frau Anna Dodell' resp. 'Anna Dodell' — twee onafhankelijke lezingen die haar voornaam Anna aannemelijker maken, al blijft het onzeker (Brief-037 toont een afzender '[?Anna] Dodell' die júist aan de moeder schrijft, wat die lezing compliceert). Brief-002 en Brief-023 zijn op de adreszijde aan 'Fräulein Dodell' resp. 'Familie Dodell' gericht maar in de tekst aan 'Lieve moeder'; hetzelfde geldt voor Brief-008 en Brief-013 (envelop aan Wilhelm Dodell, tekst aan 'Lieve Moeder'). Zij was duidelijk de spil van het thuisfront: zij stuurde pakketten (cake, appels, tabak, koffie, kersen), geld en post, en Otto regelde met haar bezoeken aan de kazerne. Brief-032 vraagt haar zondag te komen en de weg vanaf het Westbahnhof te nemen; Brief-030 oppert een bezoek op 17 januari; Brief-024 een zondagbezoek naar Rüttenscheid.
Geadresseerde op de adreszijde van Brief-007 (voorgedrukte Feldpostbrief-envelop, afzender M. Dodell) én van twee brieven van Otto zelf: Brief-036 (29 mei 1943) en Brief-039 (5 aug. 1943, aan 'Fräulein Ursula Dodell'). Dat Otto haar aanschrijft als 'Fräulein Ursula' maakt aannemelijk dat zij een ongehuwde zus is. Zij woont in dezelfde streek als Familie Dodell. In Brief-036 bedankt de schrijver voor een kersenpakket; de aanhef leest daar onzeker als 'Liebe Wil[?ma]', wat vragen oproept. In Brief-039 luidt de aanhef 'Mijn lieven', terwijl de envelop alleen haar naam draagt — de post ging kennelijk via haar naar het hele huis.
De grootmoeder van Xaver. Haar voornaam — Anna — is BEVESTIGD door de adreszijde van Brief-021 (13 mei 1942): 'Frau Anna Dodell, Frau des Schmiedmeisters, Pflugdorf'. Xaver tekent beide aan haar gerichte Moederdag-kaarten (Brief-021 uit Lenggries, mei 1942; Brief-011 uit Zweibrücken, mei 1943) met 'Dein Enkel Xaver' — sluitend bewijs dat zij de grootmoeder is en niet de moeder. Op de adreszijde van Brief-011 werd haar voornaam destijds als onleesbaar genoteerd; Brief-021 vult die in als Anna. In Brief-016 (juli 1943) en Brief-019/Brief-020 (sept. 1943) groet Xaver de grootouders 'in het bijzonder'. Dat zij 'vrouw van de smidsmeester' wordt genoemd terwijl Anton de smid is, wijst erop dat de smederij een familiebedrijf was: vermoedelijk is Anna de moeder van Anton en was haar man (de grootvader) een eerdere dorpssmid.
Geadresseerde van Brief-013 (8 sep. 1943), Brief-018 en Brief-019, telkens met afzender Otto Dodell (Feldpost-Nr. 30621 B/D); ook de envelop van Brief-012 (jan. 1944) is aan 'Herrn Dodell' gericht terwijl de tekst 'Lieve moeder' aanspreekt. In Brief-019 spreekt Otto hem aan met 'Lieve Vader'. Brief-013 is op de envelop aan Wilhelm gericht maar in de tekst aan 'Lieve Moeder' — de post ging kennelijk gewoon naar het huisadres. Brief-032 (feb. 1943) noemt 'Vader en Walter Schotthammer' in verband met een aangekondigd bezoek; Brief-008 verwijst naar 'de brief van vader en van moeder'. Brief-021 (feb. 1944) versterkt het vaderschap indirect: Otto vraagt zijn moeder of 'Vader nog bij je [is], of is hij weer naar München'. De familierelaties blijven vermoedens.
Maker (signatuur 'A. Körber') van het bloemenstilleven op de beeldzijde van Brief-021 — een gedrukte veldpostkaart met klaprozen, korenbloemen en margrieten in een vaas (met aardbeien op tafel), die Xaver in mei 1942 vanuit Lenggries als Moederdag-kaart aan zijn grootmoeder Anna stuurde. Körber komt niet voor in Xavers leven; de naam staat enkel als kunstenaarssignatuur op de kaart.
Afzender van Brief-015 (3 feb. 1944), een veldpost-vouwkaart aan '[?Frau] Dodell'. De ondertekening leest onzeker als '[?Adolf] [onleesbaar] Dodell'. De brief hanteert dezelfde geruststellende toon en openingszin als Otto's brieven en is aan dezelfde moeder gericht. Belangrijk voorbehoud: Brief-021 (3 feb. 1944) is een bijna identieke kaart met dezelfde datum en inhoud die aan Otto wordt toegeschreven; goed mogelijk dat Brief-015 óók van Otto is en de 'Adolf'-lezing onjuist. Zowel de naamlezing als de verwantschap blijft onzeker.
Zeer onzekere afzender-lezing '[?Anna] Dodell' op Brief-037 (Garmisch, ~3-4 aug. 1943), een verbleekte potloodbrief aan 'Liebe Mutter' met een eenheidsstempel van een Gebirgs-Artillerie-Ersatz-Regiment 79. BELANGRIJK VOORBEHOUD: die eenheid is precies dezelfde als waar Otto in juli–aug. 1943 diende (Brief-038/039/040), en de brief heeft Otto's typische toon en openingszin. Het is daarom goed mogelijk — misschien waarschijnlijk — dat Brief-037 gewoon van Otto is en de naam 'Anna' een verlezing. Bovendien botst 'Anna' hier (een kind dat aan moeder schrijft) met de hypothese dat 'Anna' juist de voornaam van de moeder is (Brief-003/004). Als aparte persoon is Anna Dodell niet bevestigd.
Genoemd in Brief-021 (3 feb. 1944): Otto vraagt 'wat schrijft Berta?', direct na de vraag over Maria. Berta is dus iemand thuis van wie Otto post/nieuws verwachtte — dat hij vraagt wat zij 'schrijft' suggereert dat zij zelf brieven stuurde, mogelijk van elders. Gezien de context vermoedelijk een zus van Otto. Alleen haar voornaam is bekend.
In Brief-024 (4 mrt. 1943) en Brief-021 (3 feb. 1944) sluit Otto af met 'Groeten aan broers en zussen'; in Brief-003 (28 aug. 1943) vraagt hij of 'broers en zussen hopelijk gezond' zijn. Otto had dus zeker meerdere broers én zussen. Dit is een collectieve aanduiding en krijgt daarom een eigen kaart. Mogelijke leden met een naam: Maria en Berta (Brief-021), zus Ursula Dodell (Brief-036/039), de onzekere tweede zoon 'Adolf' (Brief-015) en de in Brief-006 genoemde zus. Brief-030 noemt bovendien 'mijn zwager', wat betekent dat minstens één zus getrouwd was (of dat een broer een echtgenote had). Namen en aantallen zijn verder onbekend.
In de kerstbrief van 25 december 1943 (Brief-004/-005) vraagt Sepp de familie: 'Regel voor mij [?de luchtverwarming / het bewijs] bij burgemeester [?Altmüller]'. Zowel de naam als wat er geregeld moest worden is onzeker gelezen. Omdat de familie het moest regelen, gaat het vermoedelijk om de burgemeester van hun eigen woonplaats (Pflugdorf of omgeving), maar dat staat er niet. Of dit verzoek iets te maken heeft met het verzoekschrift waar Sepp in september 1944 naar vraagt, is onbekend.
De vaste geadresseerde van vrijwel alle brieven: 'Familie Anton Dodell, Schmiedmeister, Pflugdorf bei Landsberg am Lech, Oberbayern' (Brief-001, Brief-005, Brief-022) of korter 'Fam. Dodell, Pflugdorf' (Brief-002, Brief-003, Brief-009, Brief-010, Brief-013, Brief-014, Brief-016, Brief-017, Brief-018, Brief-019, Brief-020, Brief-023). Xaver spreekt dit huishouden aan met de vaste aanhef 'Meine Lieben!'. Geen individu maar een collectief: vader Anton, de moeder, de grootouders (Anna en de grootvader) en Toni. Alleen Brief-011 en Brief-021 (aan grootmoeder Anna) en Brief-015 ('Liebe Mutter!') wijken van dit collectieve adres af.
Wordt in Brief-003 genoemd: 'Zoals jullie schreven is Fritz Laimgruber overleden.' De familie had dit nieuws dus per brief doorgegeven. Dat wijst erop dat het een bekende uit hun eigen omgeving was, vermoedelijk uit Pflugdorf of de streek rond Landsberg am Lech. Doodsoorzaak, leeftijd en de precieze band met de familie Dodell blijken niet uit de brief.
Otto groet in Brief-021 (3 feb. 1944) uitdrukkelijk 'Grootmoeder' en in Brief-030 (6 jan. 1943) de 'grootouders'. Daarnaast wordt zij genoemd in Brief-006 (10 mrt. 1945, onzekere lezing), krijgt zij groeten in Brief-014 (4 mrt. 1945) en vraagt Otto in Brief-017 (10 mrt. 1945) naar de gezondheid van 'opa en oma'. Voornaam onbekend; de achternaam Dodell blijft een gevolgtrekking, maar dat het om Otto's grootmoeder gaat, is vrijwel zeker.
Otto groet in Brief-024 (4 mrt. 1943) en Brief-021 (3 feb. 1944) uitdrukkelijk 'Grootvader', en in Brief-030 (6 jan. 1943) de 'grootouders'. In Brief-017 (10 mrt. 1945) vraagt hij naar de gezondheid van 'opa en oma'. Opvallend is dat Brief-024 juist met 'Groeten aan broers en zussen / Grootvader' eindigt — hij stond dicht bij het dagelijkse huishouden. Voornaam onbekend; de achternaam Dodell is een gevolgtrekking.
Xaver groet herhaaldelijk 'de grootouders' (Großeltern) in Pflugdorf (Brief-001, Brief-010, Brief-016, Brief-019, Brief-020 en Brief-023). Het meervoud 'Großeltern' impliceert naast de bevestigde grootmoeder Anna ook een grootvader. Hij wordt nergens apart bij naam genoemd; zijn bestaan is een gevolgtrekking uit de collectieve groeten. Dat zijn vrouw op Brief-021 'vrouw van de smidsmeester' heet terwijl Anton de huidige smid is, suggereert dat de grootvader de eerdere (familie-)smidsmeester van Pflugdorf was — onzeker of hij in deze periode (1942-1943) nog leefde.
In één lezing van Brief-017 (13 december 1942) bedankt Xaver naast het kerstpakket van thuis ook voor een pakket 'van Hartl': 'Ik heb jullie kerstpakket ontvangen en ook dat van Hartl.' De naam staat in de tweede transcriptie van deze brief en is onzeker; in de andere lezing van dezelfde passage is die plek onleesbaar. Wie Hartl was — familielid, dorpsgenoot of kameraad — blijkt niet uit de brieven. 'Hartl' is een gangbare Beierse familie-/koosnaam.
Maker van de illustratie op de beeldzijde van Brief-003, een 'Soldatenblätter für Feier und Freizeit'-kaart uitgegeven door het OKW. Hij komt niet voor in Xavers leven maar staat als kunstenaarsnaam op de kaart vermeld.
Genoemd in Brief-016 (ongedateerd): Otto schrijft aan zijn moeder dat hij 'van Hermann nog geen post' heeft gekregen en zich afvraagt 'wat daar nu weer aan de hand is'. Hermann is dus iemand van wie Otto regelmatig post verwachtte — vermoedelijk een familielid (mogelijk een broer) of een kameraad, en gezien de bezorgde toon mogelijk ook zelf in dienst. Alleen de voornaam is bekend.
Ontwerpster van de gedrukte Moederdag-wenskaart die Xaver als Brief-011 verstuurde ('Nach Entwürfen von Hilla Peyk, München'). Zij komt niet voor in Xavers leven maar staat als ontwerpersnaam op de kaart vermeld.
In Brief-001 (26 juli 1942, Rusland) schrijft Xaver: 'We zitten nu ook [goed] bij de hoofdfeldwebel [?].' De lezing van dit woord is onzeker. Als ze klopt, verwijst Xaver naar de hoofdfeldwebel (Hauptfeldwebel, 'Spieß') van zijn eenheid aan het oostfront, bij wie hij het naar eigen zeggen goed had. Naam en verdere gegevens ontbreken volledig.
In Brief-001 (25 mei 1941) noemt Anton Dodell dat 'Josef nog niet hoeft op te komen' — dat wil zeggen nog niet is opgeroepen voor militaire dienst. Vermoedelijk een jongere broer of naaste verwant die thuis in Pflugdorf was. Achternaam en precieze verwantschap zijn niet bevestigd.
In Brief-020 (9 september 1943) schrijft Xaver dat hij na de escortedienst in het Oosten 'nu in Glogau in Neder-Silezië bij een kameraad' verblijft, 'die ik al van vroeger ken'. Het gaat om een bekende uit Xavers verleden (vermoedelijk uit de Arbeitsdienst- of opleidingstijd) die in Glogau woont of gelegerd is, en bij wie Xaver een paar dagen logeert tot hij uiterlijk zaterdag terug moet naar de kazerne. Naam en verdere gegevens worden niet vermeld.
In Brief-001 (Wiblingen, najaar 1944) schrijft Sepp: 'Mijn kameraad is met [?] verlof gegaan'. Zijn naam wordt niet genoemd en de passage is deels onleesbaar. Vermoedelijk was hij een medepatiënt of dienstkameraad in het lazaret te Wiblingen.
In Brief-005 (16 april 1942) schrijft Xaver uit Lenggries: 'Ik zit ook weer met twee kameraden van de Arbeitsdienst op één kamer samen.' Het gaat om twee met naam onbekende jongemannen die met Xaver de Reichsarbeitsdienst hadden doorlopen en met hem naar de militaire opleiding in Lenggries kwamen. Namen worden nergens genoemd; mogelijk is de 'kameraad te Glogau' (Brief-020, 'al van vroeger') een van hen, maar dat is niet vast te stellen.
Genoemd in Brief-001 (2 mei 1943): Otto sluit af met 'Doe Loni de hartelijke groeten.' Loni (verkleinvorm, bv. van Apollonia of Leonie) is dus iemand thuis aan wie Otto laat groeten — mogelijk een zus, een ander familielid, een buurmeisje of een vriendin. De precieze relatie blijkt niet.
Afzender op de adreszijde van Brief-007 (uitsluitend een envelop), met een eigen veldpostnummer (07928) dat afwijkt van Otto's nummers — dus een aparte soldaat, niet Otto. Draagt de familienaam Dodell en schrijft naar Ursula Dodell bij Landsberg am Lech, en is daarom vermoedelijk een familielid, mogelijk een broer van Otto (Brief-024/021/003 bevestigen dat Otto broers had). De voorletter 'M.' zou kunnen wijzen op het familielid 'Mathä' uit Brief-008, maar dat verband is onzeker.
Genoemd in Brief-021 (3 feb. 1944): Otto vraagt zijn moeder 'Wat doet Maria, wat schrijft Berta?'. Maria is dus iemand thuis over wie Otto graag nieuws wil, in één adem genoemd met Berta. Gezien de context is Maria vermoedelijk een zus van Otto. Alleen haar voornaam is bekend.
Eerder afgeleid uit een onzekere aanhef-lezing van Brief-008. LET OP: de adreszijde van Brief-008 luidt 'Frau Dodell' en de brieftekst 'Lieve moeder' — Brief-008 gaat dus vrijwel zeker gewoon naar Otto's moeder, en de lezing '[?Mathä]' vervalt daarmee grotendeels. Wat er over 'Mathä' als afzonderlijke persoon rest, is uiterst onzeker; mogelijk is Mathä dezelfde als de soldaat 'M. Dodell' uit Brief-007.
Geadresseerde van Brief-005 (11 september 1943), door Otto aangesproken als 'Lieber Meister' — vermoedelijk zijn leermeester of werkgever van vóór/tijdens de oorlog. De adreszijde richt zich aan een firma in Hofgeismar bij Kassel (Hessen); de eigennaam van de Meister of firma is in de scan niet leesbaar. Otto bedankt hem voor toegestuurd geld en beschrijft dat ze 'heel ver van Duitsland' zitten — de ene lezing plaatst hem aan de Oekraïense grens, de andere dicht bij de Italiaanse grens, wat zou aansluiten bij de Duitse bezetting van Noord-Italië na 8 september 1943. De toon is berustend tot geïrriteerd ('het is uiteindelijk om het even waar je bent'). ('Meester'/'Meister' is een aanspreektitel, geen eigennaam.)
Aan het slot van Brief-001 groet Xaver naast de slager ook 'mevrouw [?]'. De naam is op de scan niet leesbaar. Vermoedelijk een bekende uit het dorp.
De moeder van Xaver wordt expliciet gegroet in Brief-003, Brief-014 en Brief-018 ('Vater und Mutter'). In Brief-015 (2 mei 1943) richt Xaver een brief direct aan haar met de aanhef 'Liebe Mutter!', waarin hij voor een pakje bedankt en meldt erg moe te zijn; hij ondertekent daar volgens één lezing als 'je zoon'. Haar voornaam komt in de brieven niet voor — zij is NIET de 'Anna' uit Brief-021 (dat is de grootmoeder, gezien de ondertekening 'Dein Enkel'). Zij hoort bij het gezin in Pflugdorf, naast vader Anton, de grootouders en Toni.
In Brief-014 (4 mrt. 1945) komt een hoogst onzekere naamlezing '[?Müller]' voor, in verband met iemand die Otto mogelijk iets zou meebrengen. De lezing is zeer onzeker en het is niet zeker dat het om een persoon (laat staan om de naam Müller) gaat. Verder volledig onbekend.
Otto stuurt groeten aan 'oom en tante' in Brief-026 (23 dec. 1942), Brief-030 (6 jan. 1943) en Brief-006 (10 mrt. 1945); in Brief-021 (3 feb. 1944) groet hij uitdrukkelijk 'tantes' (meervoud). Daarnaast wordt in Brief-015 naar 'de oom' gevraagd, en vraagt Otto in Brief-021 of Vader 'nog bij je [is], of weer naar München' — mogelijk verbleef een oom of andere verwant in of rond München. Het betreft een collectieve aanduiding van verwanten; daarom een eigen kaart. Hun namen komen niet voor.
In Brief-001 laat Xaver 'veel groeten aan slager [Roß?]' overbrengen. De achternaam is onzeker gelezen. Vermoedelijk een bekende uit het dorp.
In Brief-001 staat een onzekere lezing '[?ik moet vandaag] naar [?Stefan]'. Het handschrift is op deze plek slecht leesbaar, zodat onduidelijk is of het om een persoon of een plaatsnaam gaat. Verder is niets over Stefan bekend.
Toni wordt in Brief-002 (Landshut, 20 februari 1944) door Sepp (Joseph Dodell) gegroet. Het gaat om een man ('misschien heeft hij ook wat sigaretten'). In een tweede lezing van dezelfde passage wordt de naam als '?Kunis' gelezen. Vermoedelijk gaat het om dezelfde gegroete persoon, maar die lezing is onzeker. De precieze relatie tot Joseph (familielid, kameraad of vriend) blijkt niet uit de brief. 'Toni' is doorgaans een verkorting van Anton/Antonia en wordt hier voor een man gebruikt.
In Brief-014 (6 februari 1943) sluit Xaver af met een aparte groet: 'Extra groeten aan Vader en Moeder en ook aan Toni.' Een tweede lezing van dezelfde regel leest daar '[?Dora]' — de naam is dus niet zeker. Doordat de persoon in één adem met de ouders wordt genoemd, hoort deze vermoedelijk bij het naaste gezin in Pflugdorf — waarschijnlijk een broer of zus van Xaver. Het geslacht is onbekend: 'Toni' kan zowel voor een man (Anton) als een vrouw (Antonia/Antonie) staan. Komt verder in de reeks niet voor.
In de kerstbrief van 25 december 1943 (Brief-004/-005) vraagt Sepp: 'Hebben de twee broers ook alweer geschreven?' Dat bevestigt dat hij ten minste twee broers had. Ook in april 1944 ondertekent hij twee keer als 'jullie zoon en broer' (Brief-003 en Brief-006). Dat de broers naar huis 'schreven' wijst erop dat ze toen ook van huis waren, mogelijk in militaire dienst, maar dat staat er niet expliciet. Hun namen zijn onbekend. Of Otto, naar wie Sepp in februari 1944 vraagt, een van hen is, blijkt nergens uit.
Genoemd in Brief-032 (2 feb. 1943), waar Otto schrijft: 'Vader en Walter Schotthammer, laat weten wanneer je komt.' Hij hoort dus bij de kring van mensen die Otto in de kazerne zouden kunnen bezoeken, in één adem met Otto's vader. Of het om een familielid, buurman, vriend of collega gaat, blijkt niet. Dit is een van de weinige volledige eigennamen (voornaam + achternaam) buiten de familie Dodell in de hele verzameling.
In Brief-036 (29 mei 1943) leest de aanhef zeer onzeker als 'Liebe Wil[?ma]', terwijl de adreszijde van diezelfde kaart aan Ursula Dodell gericht is. De kaart is zwaar vervaagd. Waarschijnlijk gaat het om een verlezing van de aanhef aan Ursula; als afzonderlijke persoon is 'Wilma' niet bevestigd en zij krijgt hier alleen een kaart om de onzekere lezing vast te leggen.
Genoemd in Brief-008 (16 okt. 1943): Otto schrijft 'Over Xaver moeten jullie mij ook eens iets schrijven'. Hij wil dus nieuws over Xaver, van wie de familie kennelijk wél op de hoogte was. Wie Xaver precies is, blijkt niet: mogelijk een familielid, een broer, een kameraad of een bekende. Alleen de voornaam (Xaver, een in Beieren gangbare naam) is bekend.
In Brief-018 (6 april 1943) reageert Xaver op familienieuws: 'Zoals jullie schrijven zou Fenneberg [?] Xaver vermist zijn.' Het gaat om een man die thuis bekend was — vermoedelijk een dorps-/streekgenoot of bekende van de familie — die als vermist werd opgegeven. Zowel de achternaam ('Fenneberg') als de spelling is onzeker uit het handschrift gelezen. Opvallend is dat hij ook 'Xaver' heet. Verdere gegevens ontbreken.
In Brief-006 (10 mrt. 1945) noemt Otto in een onzekere lezing een zus, in verband met een bezoek of gebeurtenis op zondag ('bij [?mijn zus]'). Haar naam komt in die passage niet voor en de lezing is onzeker, maar het bestaan van zussen is bevestigd (Brief-024, Brief-021, Brief-003). Mogelijk gaat het om Maria, Berta of Ursula Dodell — en mogelijk om de zus die met Otto's zwager (Brief-030) getrouwd was — maar dat is onzeker.
Genoemd in Brief-030 (6 jan. 1943): Otto vraagt 'Wat heeft mijn zwager allemaal nieuws?'. Een zwager betekent dat Otto ofwel een getrouwde zus had, ofwel dat het om de broer van een echtgenote gaat — het eerste is gezien de context (nieuws uit de familiekring) het waarschijnlijkst. Zijn naam, beroep en woonplaats komen niet in de brieven voor. Mogelijk is hij dezelfde als een van de losse voornamen (Hermann, Xaver, Walter Schotthammer), maar daarvoor is geen aanwijzing.
Alle brieven van de soldaten van de familie op één kaart — elke soldaat in zijn eigen kleur. Zo zie je in één oogopslag hoe ver hun post reisde.